Vliegvissers-Gezelschap Tight-Lines
  

Soms wel Soms niet


Het is vroeg in de ochtend. De lucht hangt vol mist, en het gras glinstert van de dauw. Bart staat aan de oever van de singel in zijn woonplaats, zijn laarzen in de modder. In zijn handen houdt hij zijn oude splitcane hengel, het kurken handvat donker geworden van jaren gebruik. De Hardy-reel tikt zachtjes als hij wat lijn afrolt dat geluid alleen al is genoeg om hem te laten glimlachen. Hij haalt diep adem, werpt rustig en kijkt hoe de vlieg zacht neerkomt op het water.
Geen haast, geen doel. Bart vist niet om te vangen, hij vist om te zijn. Terwijl de zon langzaam doorbreekt, dwaalt zijn gedachten af naar vroeger. Aan zijn opa, met zijn pet scheef op het hoofd, de pijp tussen de tanden en altijd dat rustige geduld. Niet smijten, jongen, had opa gezegd toen Bart nog een ventje van tien was. Je moet de hengel laten werken. Jij bent de baas niet. De hengel en de lijn zijn dat. Bart glimlacht. Dat was typisch opa altijd rustig, nooit gehaast. Toen die stierf, kreeg Bart zijn oude hengel, samen met het oude vliegvisvest vol dozen met vliegen en spoelen vliegenlijn, alles netjes gelabeld met potlood. Elke vlieg een klein kunstwerkje, keurig opgeborgen met ook een label in potlood. 

De meeste vliegvissers zouden het spul in een vitrinekast zetten. Bart niet. Hij vist ermee. Niet om het te sparen, maar om het te gebruiken. Dingen die in de kast liggen, sterven langzaam, vindt hij. Aan de overkant van de singel staat een jonge knaap, misschien zestien, met een glimmende carbonhengel. Hij gooit fanatiek, maar de lijn klapt telkens als een zweep op het water. Is dat… bamboe, meneer? roept hij op een gegeven moment. Bart kijkt op, glimlachend. Splitcane, ja. Ouder dan jij, vermoed ik. De jongen lacht. Ziet er wel gaaf uit. Maar vist dat nog een beetje? Vist prima, zegt Bart. Als je het de tijd gunt. Maar u wilt toch wel wat vangen? Bart haalt zijn schouders op. Soms wel, soms niet. Het water beslist. De jongen kijkt hem aan alsof hij een raadsel is.      Een tijdje later vangt hij zelf een kleine voorn. Hij kijkt trots, maar dan, zonder dat Bart iets zegt, laat hij het visje rustig terug in het water glijden. Bart knikt. Zo is het goed, zegt hij zacht.
Als de middagzon begint te zakken, rijdt Bart met zijn oude bestelbusje terug naar huis. De hengel ligt naast hem op de passagiersstoel, als een oude vriend.    

Thuis zit zijn vrouw, Mieke, aan de keukentafel met een kop thee. Ze kijkt op en glimlacht. Zo, held van de singel, zegt ze plagerig. Wat heb je vandaag gevangen? Bart hangt zijn jas op, schudt wat water van zijn laarzen. Niks, zegt hij droog. Zoals het hoort. Mieke lacht. Je zou beter een stoeltje meenemen, dan kun je gewoon zitten zonder dat gedoe met die hengel.  Bart grijnst. En dan mis ik het mooiste van alle, het moment dat er niets gebeurt. Op dat moment belt zijn oude vismaat Jan aan, en laat Bart hem binnen.


Nou Bart, hoorde dat jij weer met dat museumstuk stond te zwaaien, zegt hij, een brede grijns op zijn gezicht. Je weet dat ze tegenwoordig hengels maken die niet breken als je ze optilt, hè? Bart pakt een biertje uit de koelkast en geeft er ook één aan Jan. En toch, zegt hij rustig, gaat er niks boven het geluid van een oude Hardy-reel. Dat moderne spul tikt niet, dat zoemt. En ik houd niet van zoemen. Jan lacht. Je bent gek, man. Maar een goeie gek. Bart heft zijn fles. Op de goeie gekken dan. Later, als de schemering valt en de dag langzaam uitdooft, zit Bart buiten op het stoepje. De lucht ruikt naar gras en de singel. Hij hoort in de verte een uil roepen. Hij denkt aan zijn opa, aan de jongen aan de rivier, aan het ratelen van de reel. En hij weet zolang hij dat geluid blijft horen, blijft alles zoals het hoort.
Geen trofee aan de muur, geen vangst in de tas maar wel rust in zijn kop.
Bart glimlacht.
Morgen weer, mompelt hij.